Huiz.Net | Leesvoorbeeld
Lees meer over de boekenserie Sam Werner en andere boeken van Anton Huizinga
Boeken, e-books, Sam Werner, fantasie, science fiction, detectives, story, verhalen, spannend
169
page-template-default,page,page-id-169,page-child,parent-pageid-72,ajax_updown_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-12.1,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.2,vc_responsive

Leesvoorbeeld

Hoofdstuk 1

Het uitgestrekte dal lag er vredig bij. De zon scheen en de warme lucht hing als een aan­gename deken over de groene velden. De vogels kwetterden vrolijk vanuit de toppen van de bomen. Al wekenlang was het heerlijk voorjaarsweer. Bloemen in alle kleuren openden de knoppen en toonden hun bloemen­pracht. Enkele jagers waren naar de rivier om te vissen. Elke dag kwamen ze terug met een ruime vangst. Vrou­wen maakten de hutten schoon en ruimden op, terwijl kinderen vrolijk speelden op het plein. Het leven was ver­rukkelijk! En niets, behalve één wolkje aan de lucht, wees erop dat dit een bijzondere dag ging worden.

In één van de hutten was een vrouw aan het bevallen. Het ging moeizaam en hoorbaar pijnlijk. Het zou haar eerste kind worden en zo te horen zou het, als het aan haar lag, ook haar laatste kind worden. De toekomst zou het weten, maar daarmee hield niemand zich op dat moment mee bezig. Buiten die ene hut helemaal niet, het leven ging stug door en iedereen deed zijn of haar ding. De vrouwen in de buurt van de hut wisten van de bevalling en ze voelden de spanning vanuit hun eigen ervaring. De kinderen die buiten speelden waren zich er niet van bewust, en het boeide hen in het geheel niet. De mannen verderop, tja, het was toch echt een vrouwending, dat bevallen. De vader in spé werd pas weer welkom geheten in de hut als het allemaal achter de rug was.

Het uitgerekte dal lag er vredig bij, zoals gezegd. De zon scheen en de warme lucht hing als een aangename deken over de groene velden. De vogels kwetterden vrolijk vanuit de toppen van de bomen. Zomaar vanuit het niets werd het langzaam stil in die bomen. Het vrolijke zonlicht tem­perde langzaam, maar verdween niet. Wie omhoog keek, zou zien dat er wat bewolking voor de zon trok. Niemand keek om­hoog, en het viel niemand op dat de vogels zich stil hielden.

Pas toen het licht begon te sneeuwen, keken de mensen ver­rast omhoog. Sneeuw! Nu? Zo laat in het voorjaar, terwijl de hele vallei al zomer uitademde? Dit had nog niemand mee­gemaakt, en er waren mensen in het dorp die al vijftig zo­mers hadden gezien. Maar geen sneeuw tijdens  die vijftig zomers.

Sneeuw! Niet veel, het was geen winterse dag, maar slechts een sneeuwbui. Terwijl het langzaam neerdwarrelde, voor­zien van een zilveren schittering door de omfloerste zonne­stralen, werd het langzaam helemaal stil in het dorp. Niet alleen de vogels, ook de kre­kels, de kinderen en de vrouwen. Het was even een vredige, verbaasde stilte. Plots werd deze ruw verstoord door een snerpende schreeuw uit één van de hutten, een van pijn doordrenkte schreeuw.

Zoals het begon met sneeuwen, hield het ook weer op. De zon kreeg weer de volle kracht en de vogels begonnen weer met hun gekwetter. Uit de hut waar de schreeuw vandaan kwam, was nu het huilen te horen van een gezonde baby die honger leek te hebben. In de hut was een enorme bedrijvig­heid. De vrouwen die hielpen bij de bevalling, waren druk bezig met het schoonmaken en verzorgen van de bezweette moeder. Ze lag met de ogen gesloten, maar had een warme glimlach om de mond, en genoot zichtbaar van het kleine wezentje in haar armen. Zoals de wijze oudere vrouwen wisten, was zo’n mo­ment magisch en waren alle pijnen en ongemakken even vergeten. Het leven vermenig­vuldigt zich via de moeders, en zij die leven hebben gegeven, weten van die magie. Mannen weten dat niet en zouden het ook niet snappen.

Naast jagen en vissen, hadden mannen nog een taak. Het man-zijn, dat was het belang­rijkste in het leven van een man. Alleen door vader te worden van een zoon, konden ze het man-zijn niet juister laten zien. Ook in hem, die voor het eerst vader werd, en bedacht­zaam en ogenschijnlijk kalmer dan kalm naar zijn hut liep, woedde een vuur van verlangen om leider en raadsman te worden van zo’n klein kereltje. Hij zou het zo niet onder woorden kunnen brengen, en zeker niet op het moment dat hij onder welwillende blikken van zijn vrienden fier de hut binnenging. Maar zijn hart juichte, zijn ogen glansden en zijn lippen trilden, terwijl hij trots naar zijn vrouw en het kind keek. Nadat ze elkaar liefdevol in de ogen hadden gekeken en de baby een tijdje hadden be­wonderd, werd de vraag ge­steld. De vraag.

“Hoe gaan we hem noemen?” vroeg ze. Hij hoefde niet lang na te denken. De bijzondere sneeuwbui, tijdens het moment van bevallen, was voldoende om de naam te bepalen van dit bijzondere kind, ook al leek het in het geheel niet anders dan elk kind dat pas was geboren.

“Frost,” zei hij bedachtzaam knikkend, “Frost zal hij heten en genoemd worden.”

Hoofdstuk 2

Het leven zat Frost voorlopig niet mee, ondanks zijn bij­zondere geboorte. De arme jongen werd al snel wees. Toen zijn moeder zwanger was van een tweede kind, kwam zijn vader niet meer terug van de jacht. Hij was samen met een andere jager weggegaan, richting de bergen. Een paar dagen later kwam zijn metgezel alleen terug. Verward en gewond kwam hij al strompelend het dorp binnen. Met moeite stamelde hij het hele verhaal hoe Jahi, de vader van Frost, dapper strijdend tegen een beer gestorven was. Het lichaam had hij helaas niet mee kunnen nemen. Andere jagers gingen op zoek maar vonden geen sporen meer.

De moeder, zwanger en manloos, kreeg het zwaar. Niet alle vrouwen en mannen waren erg genuanceerd in hun mening. De vrouwen omdat ze vonden dat Nala, zoals ze heette, zo snel mogelijk een nieuwe man moest zoeken en de mannen omdat Nala hen niet zag zitten. Terwijl ze uitgeput en vol verdriet was, begon de bevalling van het tweede kind. Ze stierf op het moment dat het kind geboren werd. Ze heeft niet geweten dat haar tweede kind een meisje was.

Een jongen en een meisje, zonder ouders, dat was een pro­bleem voor het dorp. Kinderen van een ander opnemen in het gezin en opvoeden zou niet meevallen. Bij een zware winter of een droge zomer was er voor eigen kinderen soms te weinig. Laat staan dat er nog eentje bij kwam. Gelukkig werden ze niet verstoten maar opgenomen door anderen in het dorp.

Ebone, een moeder van acht kinderen waarvan er drie vroeg­tijdig overleden waren, wilde het meisje wel opnemen. Ze was pas zelf bevallen en kon het meisje geven wat het nodig had. Ebone was een lieve vrouw, een grote forse vrouw met een goed hart voor kinderen. Iedereen was dol op haar.

Voor Frost had ze geen plaats in huis. Wel in haar hart, maar twee kinderen opnemen werd teveel. Frost was drie zomers in het dorp, te oud als baby en te jong als knecht.  Nadat iedereen tijdens de dorpsraad zijn zegje had gedaan over wat er met Frost moest gebeuren, nam Kek het woord. Kek was de tovenaar van het dorp. Hij zorgde er voor dat iedereen bang voor hem was. Daardoor had hij macht en was hij min of meer de baas. Zijn donkere ogen schoten heen en weer. “Geef Frost maar aan mij,” sprak hij met een zachte, dreigend klinkende stem. “Mijn zoon is bijna even oud en zoals jullie weten, ook net zo bijzonder geboren als Frost.”

Hij keek dreigend naar de man die voorgesteld had Frost in de ravijn te werpen, omdat de kleine jongen misschien on­geluk zou brengen vanwege de sneeuw tijdens zijn geboorte.

“Misschien was de geboorte van Rodo wel grootser!” Kek bleef indringend rondkijken na deze woor­den. Niemand durfde een tegenwerping te maken. Rodo was inderdaad bijzonder geboren. In de nacht waarin zijn moe­der ging bevallen, werd de maan bloedrood. Het moest wel een bijzonder teken zijn.

Nu Kek had aangegeven Frost te willen opnemen, maakten de overige mannen en vrouwen geen bezwaar. Misschien was dit wel de beste oplossing voor de jongen. Als hij goed zou luisteren dan kon hij later nog een belangrijk persoon worden in het dorp. Rodo zou uiteraard zijn vader opvolgen, maar iets van de macht van Kek zou wellicht ook over kunnen gaan op Frost.

Ebone nam de kleine meid mee naar huis om te voeden. Ze knuffelde het kleine wondertje en fluisterde liefdevol: “Eshe wordt jouw naam. Welkom in ons huis.”

Hoe anders ging het bij Frost. Hij kreeg een schop onder zijn billen. “Schiet op, doorlopen!” gromde Kek.

Zoals gebruikelijk in die tijd werd het lichaam van Nala ge­cremeerd. In een grote offerkuil werd het lichaam tijdens een heftig ritueel verbrand tot alleen nog as overbleef. De jagers zouden het tijdens de eerstvolgende grote jacht meenemen en verspreiden met de wind.

In welke tijd leefde Frost dan? Hadden die mensen een tijds­besef? Als ze niet spreken over jaren maar zomers? Tel­woorden hadden ze niet, aantallen bleven beperkt tot de hoeveelheid vingers die ze op konden steken, maar ook door wat ze zich konden herinneren. Ze schreven geen boeken, ze maakten geen notities, en ze plaatsten niets op Twitter en Facebook. Daar waren ze te modern voor.

Het waren namelijk de moderne mensen. De Neanderthalers net ontgroeid maar niet heel veel slimmer, beter of handiger. Ze leef­den circa 50.000 jaar geleden. Het deed er niet toe dat het vandaag precies 48.637 jaar geleden was. Ongeveer was nauwkeurig genoeg, het kwam niet op een dag of wat.

Hoofdstuk 3

“Niet doen Frost! Dat mag niet!” Eshe riep luid naar haar broer. Ondanks dat ze in verschillende hutten leefden, trok­ken ze veel met elkaar op. Eshe was nu zeven zomers in het dorp, Frost al tien.

Frost luisterde niet. Thuis wel, naar Kek en Rodo. Je wist nooit of je iets belangrijks hoorde, hoewel hij soms deed of hij niet luisterde. Ook dat had zijn voordelen. Frost was slim voor zijn leeftijd, sterker nog, slim voor de moderne mens. Niet dat hij zich dat realiseerde. Maar slim was hij.

“Kijk uit!” riep Eshe. Ze rende in paniek naar de waterkant. Zo dichtbij mocht ze niet komen want de stroming was veel te sterk. Ze kon nog niet goed zwemmen. Frost lachte. Een andere eigenschap van hem was dat hij nergens bang voor was. Het leek of hij niet wist wat bang zijn was. Kek had eens verteld dat je ’s nachts beter niet naar buiten kon zonder vuur, omdat je dan opgegeten zou worden door de witte schimmen. Frost liep daarna drie nachten lang te dwalen rond het dorp, en was zwaar teleurgesteld dat hij geen witte schimmen had gezien.

“Ga maar terug,” riep hij naar zijn zus. “Ik red me prima. Ik heb zin in vis vanavond en als ik genoeg vang dan krijg jij ook.” Hij liep verder over de boomstam die vanaf de kant tot halverwege de rivier was gevallen tijdens de laatste storm. De stroming van de rivier was erg sterk en hoewel Frost kon zwemmen, zou hij het hier niet volhouden.

Eshe was niet bang dat ze geen vis zou krijgen. Frost gaf lie­ver zijn laatste eten aan haar dan dat ze honger zou lijden, maar ze was doodsbang dat hij van de boomstam zou glijden. Ze zou hem niet kunnen redden. Ze deed haar handen voor de ogen. Af en toe spiekte ze tussen haar vingers door en soms kreunde ze van angst. Stapje voor stapje wist Frost een flink eind te komen. Hij zag al een mooi plekje waar de stroming door de liggende boom werd verminderd. In deze luwte zwommen enkele grote vissen. In het heldere water waren ze goed te zien. Hij ging staan, strekte zijn arm met de speer en wilde uithalen. Plots schoot zijn voet weg en onder een luide gil gleed hij van de boomstam af het water in.